Geschiedenis van de piano en vleugel
In de 6e eeuw voor Christus stelde Pythagoras toonverhoudingen vast met behulp van een
monochord.Tijdens de Middeleeuwen werd het monochord van steeds meer snaren voorzien
en diende het als hulpmiddel bij het intoneren van zangstemmen.
In de 12e eeuw werden toetsen aangebracht aan het uitgebreide monochord. Aldus ontwikkelde
het monochord zich tot het clavichord.
Even later ontstond uit de Psalter (=een trapeze-vormig tokkelinstrument), door de toevoeging
van toetsen het clavecimbel.
Het clavichord en het clavecimbel bleven bestaan totdat men de behoefte kreeg aan een
instrument waarop men zacht (piano) en sterk (forte) kon spelen.
1711 Florence, Cristofori (1655-1731) ontwikkelde een nieuw hamermechaniek met opstoter.
Hij bouwde meerdere pianoforte’s, maar ze vonden geen ingang. In Italië werd geen gebruik
gemaakt van de pianoforte.
1726 Duitsland, G. Silbermann (1683-1753) paste de uitvinding toe. Het z.g. ‘Stoss mechaniek’
bestond uit: een toets, onderhamer, opstoter, bovenhamer, vanger en demper.
Het Stoss mechaniek gaat over in het ‘Engelse mechaniek’. Muzio Clementi (1752-1832),
heeft veel bijgedragen tot de ontwikkeling van het Stoss-mechaniek / Engelse mechaniek.
1717 Dresden, C.G. Schröter (1699-1782) reconstrueerde hamermechanieken. Deze mechanieken
werden in 1721 aan de keurvorst voorgelegd. Vervolgens bleven ze enige tijd liggen en kwamen na
verloop van tijd in handen van instrumentmakers.
Zij gingen met deze primitieve ‘Prell mechanieken’ oftewel ‘Weense mechanieken” pianoforte’s
bouwen (mechanieken liepen licht; resulteerde in een scherpe doordringende toon)
Bij het Prell mechaniek werd de hamer achter op de toets bevestigd. De hamer sloeg direkt, zonder
opstoter, tegen de snaar.
Het Weense mechaniek heerste van 1760 tot 1800 (Brahms en Beethoven hadden een Weens
mechaniek).
In de 2e helft van de 18e eeuw werd door J.A. Stein (1728-1792) het Weense Prell-mechaniek
verbeterd tot het zogenaamde Duitse mechaniek.
In Engeland groeide het Stoss-mechaniek (de opstoter doet de hamer tegen de snaren slaan)
uit tot het z.g. Engelse mechaniek (liep zwaar, maar gaf meer toon en kleur dan het Prell
mechaniek; Beethoven ging later ook over op het Engelse mechaniek om reden van de grotere
expressiemogelijkheden).
Ergens tussen 1870 en 1880 ging ook de Oostenrijkse bouwer Bösendorfer over op het Engelse
mechaniek.
Vervolgens werd het Engelse mechaniek in Frankrijk omgevormd tot het repetitiemechaniek
van Sébastien Erard (méchanique à double échappement).
1822 De uitvinding van S. Erard (1752-1831) was zeer belangrijk; men hoefde de toets niet meer
volledig los te laten, ook niet bij repeterende noten. Dit is mede bepalend geweest voor de
ontwikkeling van vinger- naar gewichtsspel (zie geschiedenis der pianomethodiek).
De uitvinding wordt nu algemeen toegepast; wel heeft elke fabriek zijn eigen patenten en zijn de
onderdelen iets anders gerangschikt.
De piano heeft zich in drie hoofdvormen ontwikkeld, nl.
- 1. tafelvormig,
- 2. rechtopstaand
- 3. vleugelvorm.
Ad.1. In Duitsland legde men zich circa 1750 toe op het bouwen van tafelklavieren (Friederici).
Dit model werd in Engeland (Aumpe) en in Frankrijk (Pape) nagevolgd en is circa een eeuw
toegepast.
Ad 2. Het rechtopstaande klavier, de voorloper van onze piano, werd rond 1750 in Duitsland
gebouwd en had de vorm van een rechtopstaande harp of lier, waarbij men aan de onderzijde een
toetsenbord aanbracht, terwijl het geheel op vier poten rustte.
In het begin van de 19e eeuw vervaardigde men deze klavieren ook in Engeland.
Echter in Amerika werd rond 1800 (door J.I. Hawkins, Philadelphia) het patent voor de Pianino
(cottage) verkregen.
Het eigenlijke Pianino mechaniek werd pas in 1826 uitgevonden (Wornum). Deze instrumenten
verbreidden zich naar Engeland, Frankrijk en Duitsland en werden zeer populair.
Ad3. De vleugelvorm is sinds de uitvinding van het hamermechaniek in 1711 steeds toegepast,
terwijl de onderdelen van de vleugel voortdurend werden gewijzigd en verbeterd.
DE BOUWERS
Bartolomeo di Francesco Cristofori (1655-1731) was in 1711 de uitvinder en bouwer van de
eerste hamerklavieren.
In Duitsland bouwden G. Silbermann en J.A. Stein. Stein verving de vroegere stoppen voor de
verschillende registers door kniehefbomen (1755), die te beschouwen zijn als overgang naar het
pedaal. Het pedaal is door Broadwood (1783) te London ingevoerd en door Stein te Augsburg
nagevolgd.
Stein bracht echter twee pedalen aan welke het toetsenbord zodanig deden verschuiven, dat de
hamers van de drie snaren slechts twee of één (una corda) raakten (piano- en pianissimopedaal).
Uit de fabriek van zijn schoonzoon, J.A. Streicher (1761-1833), te Wenen, kwam een mechaniek
(1823), waarbij de hamers van boven tegen de snaren slaan. Ook werd door Streicher de bodem van
de kast weggelaten, hetgeen veel heeft bijgedragen tot het ontwikkelen van een vollere toon.
Tot de Oostenrijkse klavierbouwers behoren verder: Seubert Ehrbar, Bösendorfer, Müller e.a.
In Duitsland werkten in de 18e eeuw: Spath, Hubert, Schiedmayer & Söhne, Ibach.
In de 20e eeuw: J. Blüthner, die het aliquotsysteem invoerde door een vierde snaar aan te brengen,
welke niet wordt aangeslagen, maar wel meetrilt; verder Bechstein, Lipp, Berdux, Zeitter und
Winkelmann e.a.
Uit Duitsland werd de pianofortebouw door Zumpe naar Engeland overgebracht.
In 1760 bouwde hij daar in de fabriek van Burkhard Tschudi (Zwitser, die in 1728 Broadwood
& Sons London oprichtte; John Broadwood (Tschudi’s schoonzoon) was vanaf 1770
medebeheerder) zijn eerste tafelpiano (square-piano) met het primitieve Stoss mechaniek.
De beweeglijke opstoter werd in de fabriek van Longman & Broderip ingevoerd.
Eveneens in de Tschudi fabriek werd door Becker de zg. ‘uitlozing’ uitgevonden, die daarin
bestaat, dat de opstoter -wanneer de hamerkop zich vlak bij de snaar bevindt- onder de hamernoot
wegschuift en de hamer, door de opstoter vrijgelaten, weer kan terugvallen. Ook bracht Becker
het hamermechaniek aan bij de vleugel.
In de 18e, 19e en 20e eeuw waren in London de fabrieken van Stodart & Sons, Wornum & Sons,
Clementi & Collard, Broadwood & Sons e.a.
Tot de belangrijkste pianobouwers van zijn tijd wordt in Frankrijk S. Erard gerekend die in 1822
het zg. repetitie-mechaniek uitvond.
Henri Pape legde zich vooral toe op de bouw van tafelklavieren. Verder bouwde hij ook
instrumenten waarbij het mechaniek boven de snaren ligt; hij paste het kruissnarige systeem toe,
en het leer dat de hamerkop bedekte, verving hij door vilt.
Andere Franse bouwers waren o.a. Pleyel en Gaveau.
In Amerika werd de pianofortebouw in het begin van de 19e eeuw slechts sporadisch beoefend.
De eerste stap tot verbetering werd gedaan door A.Babcock, die het metalen raam op de
zangbodem plaatste, zodat deze niet meer door de trekkracht van de snaren kon worden
kromgetrokken.
De tweede belangrijke uitvinding is die van het kruissnarige systeem van de Steinway fabriek.
De Steinway fabriek werd gesticht door Heinrich Engelhart Steinweg, die te Braunschweig een
fabriek had.
Hij liet daar een zoon (Theodor Steinweg) achter om de zaak (nu de firma Grotrian Steinweg)
voort te zetten en verhuisde zelf naar New York, alwaar hij in 1853 de Steinway & Sons
fabriek oprichtte.
Steinway voegde ook het ‘Sustaining Pedal’ aan de vleugel toe.
Andere Amerikaanse fabrieken zijn o.a. Chickering & Sons, Knabe en Mason & Hamlin.
